Waar ben jij onzeker over?
Over je uiterlijk? Of je wel slim genoeg bent? Of mensen je aardig vinden? Of je aantrekkelijk genoeg bent? Of je wel hard genoeg werkt? Of je wel kunt wat anderen zo gemakkelijk lijken te kunnen?
Ik kan er heel wat aanvinken.
Onzekerheid heeft een groot deel van mijn leven met mij meegelopen. En eerlijk gezegd komt ze ook nu nog regelmatig om de hoek kijken.
Alleen heeft ze niet meer dezelfde plek in mijn leven als vroeger.
Wanneer ben ik goed genoeg?
Als kind was ik verlegen en onzeker. Ik wist dat mijn ouders van mij hielden en trots op mij waren. Daar twijfel ik niet aan.
Maar daarnaast kreeg ik natuurlijk ook andere dingen mee.
Voor mijn vader was school belangrijk. Goed leren, goede cijfers halen, je best doen en een goede opleiding volgen. Presteren vond hij belangrijk.
Van mijn moeder zijn er twee uitspraken die ik mij nog heel goed kan herinneren:
‘Je bent echt een dromer.’
En:
‘Je kijkt weer met je neus.’
En eerlijk gezegd was ik ook een dromer. Ik kon helemaal opgaan in mijn eigen wereld, met mijn neus in de boeken en met mijn gedachten ergens anders.
Ik was ook niet zo secuur, had niet veel tempo en was niet bijzonder handig. Mijn zus was bijvoorbeeld veel handiger dan ik. Ook later merkte ik in mijn werk dat tempo niet altijd mijn sterkste kant was.
Op zichzelf hoeft daar natuurlijk helemaal niets mis mee te zijn.
Maar als onzeker kind keek ik vooral naar wat anderen wél konden en wat mij minder gemakkelijk afging. En ongemerkt kunnen zulke verschillen dan iets gaan zeggen over hoe je naar jezelf kijkt.
Waarom kan ik dat niet?
Waarom ben ik niet sneller?
Waarom ben ik niet handiger?
Waarom lukt dat een ander zo gemakkelijk?
En als je daar vervolgens ook andere onzekerheden naast legt — over je uiterlijk, je intelligentie, of mensen je aardig vinden — kan langzaam een veel grotere vraag ontstaan:
Wat kan ik eigenlijk wél? Waar ben ík goed in?
Ik denk dat ik lange tijd vooral keek naar wat er bij mij ontbrak.
Pas veel later ben ik gaan ontdekken dat niet alles wat anders is, ook minder is.
Misschien hoefde die dromer in mij helemaal niet weg.
Wat zullen anderen van mij vinden?
In mijn puberteit werd mijn onzekerheid niet bepaald minder.
Ik zag vriendinnen vriendjes krijgen, terwijl ik zelf zo onzeker over mezelf was dat ik daar nauwelijks aan durfde te beginnen.
Wie zou mij nou aantrekkelijk vinden?
Die onzekerheid ging niet alleen over mijn uiterlijk. Het zat veel dieper. Ben ik wel leuk genoeg? Aardig genoeg? Interessant genoeg? Slim genoeg?
En ook later kwam dat op allerlei momenten terug. Vooral wanneer ik een nieuwe stap moest zetten.
Kan ik dit wel?
Wat zullen anderen van mij vinden?
Ben ik hier wel goed genoeg voor?
Misschien herken je dat wel. Dat je iets eigenlijk heel graag wilt, maar dat onzekerheid onmiddellijk met je mee begint te praten.
En voor je het weet, laat je niet meer bepalen wat jij graag zou willen, maar wat je denkt dat anderen van jou zullen vinden.
Met trillende benen het podium op
Toch gebeurde er iets bijzonders.
Ik ging zingen.
En uiteindelijk stond ik op een podium.
Dat lijkt misschien niet zo bijzonder. Maar voor dat onzekere meisje in mij was het dat wel.
Ik stond daar soms letterlijk met trillende benen.
En toch ging ik.
Niet omdat ik ineens zelfverzekerd was. Ik wilde gewoon ontzettend graag zingen. Er was iets in mij dat sterker was dan de angst.
En juist door het tóch te doen, begon ik dingen te leren.
Ik ontdekte dat ik iets spannend kon vinden en toch die stap kon zetten. Ik leerde om zichtbaar te zijn.
Ik kreeg complimenten en moest zelfs leren om die gewoon in ontvangst te nemen. Niet onmiddellijk relativeren of denken: ach, dat zeggen ze vast alleen maar om aardig te zijn.
Langzaam begon er iets te veranderen.
Misschien zat er toch meer in mij dan ik zelf altijd had gezien.
Misschien had ik ook iets te geven.
Langs de verkeerde meetlat
Als ik nu terugkijk, denk ik dat ik mezelf jarenlang heb vergeleken met eigenschappen van anderen.
Iemand anders was praktisch, dus vond ik dat ik praktischer moest zijn. Een ander werkte sneller, dus vond ik dat ik meer tempo moest hebben.
Iemand kon iets waar ik totaal geen verstand van had en onmiddellijk voelde ik mij minder slim.
Maar waarom eigenlijk?
Waarom zou ik alles moeten kunnen wat iemand anders kan?
Dat klinkt nu zo logisch. Maar het heeft mij behoorlijk wat jaren gekost om dat ook werkelijk te gaan begrijpen.
Een belangrijke stap daarin was voor mij het ontdekken van mijn eigen persoonlijkheid. Bijvoorbeeld door DISC, een persoonlijkheidsanalyse waarmee ik ook binnen de TotalBalance-methode werk.
Voor mij was het soms bijna een opluchting om bepaalde dingen over mezelf terug te zien.
O ja… maar dit past gewoon bij mij.
Dit zijn eigenschappen die bij mij horen. Hier liggen kwaliteiten. Dit geeft mij energie. En andere dingen kosten mij juist veel meer energie.
Ook een energieanalyse heeft mij geholpen om daar anders naar te kijken.
Ik hoef niet alles te kunnen. Ik hoef niet overal goed in te zijn. En ik hoef mezelf al helemaal niet kapot te werken om maar te bewijzen dat ik hard genoeg werk of wél voldoe.
Sommige dingen liggen mij gewoon minder. Andere dingen juist meer.
Ik mag zijn wie ik ben.
Mezelf serieus leren nemen
Voor mij is dat misschien wel een van de belangrijkste veranderingen geweest.
Dat ik mezelf serieus mag nemen.
Niet alleen de sterke en leuke kanten. Ook mijn grenzen. Mijn gevoeligheid. De dingen die mij veel energie kosten. De momenten waarop ik tijd nodig heb om iets te verwerken.
En ja, ook die dromer.
Ik hoef haar niet voortdurend tot de orde te roepen.
Ik mag aardig zijn voor mezelf. Ik mag mild zijn voor mezelf.
Dat betekent niet dat ik niet meer hoef te groeien of dat ik nooit iets mag doen wat ik moeilijk vind. Dat podium heeft mij juist geleerd hoeveel er kan gebeuren wanneer je ondanks je onzekerheid tóch een stap zet.
Maar groeien is iets anders dan voortdurend proberen iemand te worden die je niet bent.
Daar is ze weer…
En voordat je nu denkt dat ik tegenwoordig fluitend door het leven ga zonder enige onzekerheid: absoluut niet.
Ook nu kan ik ineens weer gaan twijfelen.
Dan ga ik piekeren. Of toch weer veel te hard werken. Ik voel spanning omdat ik bang ben dat ik niet voldoe aan wat er van mij verwacht wordt.
Dan kan zomaar weer zo’n oude gedachte langskomen:
Ben ik eigenlijk wel slim genoeg?
Kan ik dit wel?
Wat zullen mensen hiervan vinden?
Doe ik het wel goed genoeg?
Vind ik ooit echt mijn bestemming?
Het verschil zit voor mij niet in het feit dat die gedachten nooit meer komen.
Het verschil is dat ze mijn leven niet meer hoeven te beheersen.
Ik hoef mezelf er ook niet voor op mijn kop te geven.
Ik kan steeds vaker denken:
Hé, daar is die onzekerheid weer.
Blijkbaar vind ik dit spannend.
En dat mag.
Ik ben niet perfect. Ik ben een mens.
Ook naar dat stukje van mezelf mag ik met mildheid kijken.
Gezien, gekend en geliefd
Onder dit hele proces ligt voor mij nog iets wat veel dieper gaat dan een persoonlijkheidstest of ontdekken waar mijn kwaliteiten liggen.
Mijn geloof.
Ik geloof dat mijn waarde uiteindelijk niet wordt bepaald door mijn uiterlijk. Niet door mijn intelligentie. Niet door mijn prestaties. Niet door hoeveel werk ik verzet. Niet door de vraag of iedereen mij aardig vindt.
Mijn waarde begint bij God.
Bij het steeds opnieuw mogen ontdekken dat ik door Hem gezien, gekend en geliefd ben.
En toch vind ik dat soms gemakkelijker om op te schrijven dan om werkelijk te ervaren.
Want je kunt met je hoofd heel goed weten dat je waardevol en geliefd bent, terwijl diep vanbinnen nog steeds die oude onzekerheid kan opspelen.
Ook daarin ben ik nog onderweg.
Misschien wel mijn hele leven.
Maar als ik nu terugkijk naar dat verlegen meisje dat vooral zag wat ze allemaal niet kon, zou ik haar iets anders willen vertellen.
Je hoeft niet sneller te worden omdat een ander sneller is.
Je hoeft niet handiger te worden omdat een ander handiger is.
Je hoeft niet op iemand anders te lijken om erbij te mogen horen.
En je hoeft ook niet eerst al je onzekerheid kwijt te raken.
Je mag er zijn.
Met wat je goed kunt en met wat je niet kunt.
Met je moed én je onzekerheid.
Met je kwaliteiten en je beperkingen.
Met je dromen en je twijfels.
Misschien hoefde die dromer inderdaad helemaal niet weg.
Misschien mocht ze vooral gaan ontdekken wie ze zelf is.
En dat is wat ik nog steeds aan het leren ben:
Ik mag zijn wie ik ben.
Gezien.
Gekend.
Geliefd.
En misschien mag jij jezelf daar vandaag ook eens aan herinneren.

Dag Arwen, Fijn om je op deze manier iets beter te leren kennen. Ik denk nog met plezier en dankbaarheid terug aan onze muzikale sessies, waarin je ontpopte als een prachtige zangeres, eerlijk gezegd beter dan velen met een zangcarrière. Je paste perfect bij het repertoire dat ik – mede geïnspireerd door jouw stem – mocht maken. De ‘Song of the bride’ blijft daarin het absolute hoogtepunt. Ik begrijp dat je nu in een nieuwe fase in je leven zit en dat gaat je heel goed af! Zoals je weet, begin ik gewoon weer opnieuw met alleen een gitaar en stem. Misschien kunnen we toch vrienden blijven in onze verdere ontwikkeling. Jullie zijn altijd van harte welkom bij ons. De Heer zegene je! Jaap, Margo en Jordy. Booij
Hoi Arwen,
Heel herkenbaar wat je schrijft! Mooi dat je je zo kwetsbaar durft op te stellen, ik drnk dat velen zich hierin zullen herkennen.
Ik heb na de scheiding ook een proces van jaren nodig gehad om te ontdekken wie ik nu eigenlijk ben, ontdekken dat ik geliefd ben door God (Bijbelschool Wie je bent in Christus mogen volgen van Vrij Zijn), en nog ga ik regelmatig over mijn grenzen, wil ik aardig gevonden worden, precies wat jij ook schrijft.
Ik wens je Gods zegen en kracht voor je coachingspraktijk, gelukkig hoeven we het niet alleen te doen, maar geeft Hij moed en kracht.
Groetjes, Nelly Basemoine